opposant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·po·sant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opposant opposanten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

opposant m [2]

  1. iemand die tegen iets of iemand is en daaraan uiting geeft
    • De politie in de Russische hoofdstad meldde korte tijd eerder dat er al 28.000 mensen op de Avenue Sacharov bijeen zijn en zij verwacht er meer. Een prominente opposant tegen het regime, internetactivist Aleksej Navalny, zei dat er een miljoen mensen komen. [3] 
    • Een vooraanstaand tegenstander van het Syrische regime van president Bashar al-Assad, Haitham al-Maleh, heeft de overkoepelende Syrische Nationale Raad (SNC) de rug toegekeerd. De voormalige magistraat en al vier decennia opposant van de clan van de Assads zei vandaag dat hij de groep verlaat omdat er chaos heerst en er geen enkele duidelijkheid is over wat de SNC kan of wil bereiken. [4] 
    • Natuurlijk, in de nabijheid van de start- en landingsbaan zal menig geharnast opposant van het vliegveld de afgelopen dagen de champagne hebben ontkurkt, in het besef dat vliegtuiglawaai en ander overlast hem of haar zo goed als zeker bespaard blijven. Dat mag. Het neemt niet weg dat de strijd tussen voor- en tegenstanders, door cabaretier Herman Finkers wel eens als Ajax-Feyenoord omschreven, geen winnaars kent. [5] 
  2. iemand die kritiek levert bij een voorgenomen universitaire promotie
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen