omkring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·kring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omkring omkringen
verkleinwoord omkringetje omkringetjes

Zelfstandig naamwoord

ómkring m

  1. het gebied rondom een bepaald punt.
    • Een wijde omkring van den grond verheugt zich in de schaduw dier duizenden twijgen, dier honderd duizenden bladen.[1] 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
omkringen

omkríng

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omkringen
    • Ik omkring. 
  2. gebiedende wijs van omkringen
    • Omkring! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omkringen
    • Omkring je? 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. blz 67 Het heilige land: of mededeelingen uit eene reis naar het oosten, gedaan in de Jaren 1849 en 1850, in gezelschap van hare koninklijke hoogheid, de prinses Marianne der Nederlanden
    Gerhard Heinrich van Senden
    J. Noorduyn en Zoon, 1851


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·kring
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 1438

Bijwoord

omkring

  1. rond
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • gå omkring
  • kjøre omkring
  • løpe omkring
  • ta omkring
Uitdrukkingen en gezegden
  • se seg omkring
rondkijken
  • gå omkring i byen
in de stad rondlopen
  • Slikt skjer aldri her omkring.
Zulke dingen gebeuren nooit hier in de buurt.

Voorzetsel

omkring

  1. rond, omstreeks
    «Det var omkring 0°.»
    Het was rond de 0 graden.
Uitdrukkingen en gezegden
  • omkring år 1900
omstreeks 1900
  • sitte omkring bordet
rond de tafel zitten
  • ta omkring (noen)
(iemand) omarmen / omhelzen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·kring
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

omkring

  1. rond
Typische woordcombinaties
  • ta omkring
Uitdrukkingen en gezegden
  • sjå seg omkring
rondkijken
  • gå omkring i byen
in de stad rondlopen
  • Slikt skjer aldri her omkring.
Zulke dingen gebeuren nooit hier in de buurt.

Voorzetsel

omkring

  1. rond, omstreeks
    «omkring 0°.»
    Rond de 0 graden.
Uitdrukkingen en gezegden
  • omkring 1950
omstreeks 1950
  • sitje omkring eit bord
rond de tafel zitten
  • ta omkring (nokon)
(iemand) omarmen / omhelzen