nopens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·pens
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voorzetsel’ voor het eerst aangetroffen in 1500 [1]
  • afgeleid van nopend met het achtervoegsel -s, waarbij de -d- in de uitspraak is verdwenen [2][3]

Voorzetsel

nopens

  1. (formeel) omtrent, aangaande, met betrekking tot, over
    • Een besluit nopens deze gewetenskwestie is niet eenvoudig te nemen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

37 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen