nisan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
  • Geluid:  nisan    (hulp, bestand)
  • IPA: /ˈnisɑn/ (gangbare Nederlandse uitspraak), /niˈsɑn/ (meer Hebreeuwse uitspraak)
Woordafbreking
  • ni·san

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

nisan

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) eerste maand van het joodse jaar, in maart-april (Est. 3:7, Neh. 2:1); zevende maand bij telling vanaf Rosj Hasjana
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen


Turks

enkelvoud meervoud
nominatief   nisan     nisanlar  
genitief   nisanın     nisanların  
datief   nisana     nisanlara  
accusatief   nisanı     nisanları  
locatief   nisanda     nisanlarda  
ablatief   nisandan     nisanlardan  

Zelfstandig naamwoord

nisan

  1. april


Maanden in het Turks
ocak
januari
şubat
februari
mart
maart
nisan
april
mayıs
mei
haziran
juni
temmuz
juli
ağustos
augustus
eylül
september
ekim
oktober
kasım
november
aralık
december