narwal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nar·wal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Deens of noors, in de betekenis van ‘walvisachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1660 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord narwal narwallen
narwals
verkleinwoord narwalletje narwalletjes

Zelfstandig naamwoord

narwal m

  1. (walvissen) Monodon monoceros op Wikispecies, walvisachtig zoogdier waarbij het mannetje in bezit is van een lange slagtand
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen