naloper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord naloper nalopers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

naloper m [1]

  1. persoon die iets of iemand (kritiekloos) volgt
    • Binnen rederijkerskamers – verenigingen van dichtliefhebbers en toneelamateurs – groeit de overtuiging dat versierde taal het best beschermt tegen de willekeuren van het lot. Voor Anna Bijns is het woord vooral een wapen. In haar Refereynen (1528) tiert ze er in de meest gecompliceerde rijmketens op los, vooral tegen Luther en zijn nalopers die het wagen de moederkerk omver te trekken. [2] 
    • Een ideale gelegenheid voor Hollande om Sarkozy neer te zetten als een harteloze naloper van het Front National, en zo de bijna tien procent stemmen van centrumkandidaat François Bayrou in te pikken. Maar Sarkozy sprak meteen: 'Frankrijk is een open land, en ik weet vanwaar ik afkomstig ben. [3] 
    • Samsung wil aantonen dat de rollen intussen omgekeerd zijn: Apple is nu de naloper. Dat moet blijken uit mails van Phil Schiller, de marketingbaas van Apple. Schiller was onder de indruk van een agressief reclamespotje van Samsung, waarin de draak werd gestoken met Apple-fans die aanschuiven voor een nieuwe iPhone. ‘Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat deze jongens het aanvoelen,’ schreef Schiller in een boze mail naar zijn reclameagentschap, ‘terwijl wij moeite hebben om ons iPhone-verhaal op een overtuigende manier te brengen.’ [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 5 maart 2005 Een canon van de Nederlandse literatuur
  3. De Standaard 03 MEI 2012 sdf Sarkozy valt aan in bits debat
  4. De Standaard 08 APRIL 2014 OM 03:00 UUR | Dominique Deckmyn Wie is de vernieuwer?