Naar inhoud springen

naaste

Uit WikiWoordenboek
  • naas·te (bijvoeglijk naamwoord van na)
  • naas·te (van naast)
  • naas·te (werk- en zelfstand naamwoord)
enkelvoud meervoud
naamwoord naaste naasten
verkleinwoord - -

denaastev/m

  1. medemens
    • ”Heb uw naaste lief als uzelf.” 
     Er staat immers ook geschreven: “Hebt uw naaste lief", en dus moeten we dit diertje doden: omdat we het liefhebben.[1]
     'Erotische liefde en vriendschap worden bepaald door het object; alleen liefde voor de naaste wordt bepaald door liefde.[2]
     Doe het voor de stad! Kijk in uw hart en bedenk op welke manier u gezondigd hebt tegen uw naaste, of op welke manier uw naaste een zondaar is!' Hij zwijgt even om zijn woorden op de mensen te laten inwerken en heeft ademnood gekregen van zijn eigen deugdzaamheid.[3]

naaste

  1. verbogen vorm van de overtreffende trap van na

naaste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van naast
     In de naaste toekomst zal, zo meent Badinter, het onderscheid tussen mannen en vrouwen steeds meer uitgewist worden.[4]
vervoeging van
naasten

naaste

  1. aanvoegende wijs van naasten
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]
  1. Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  2. Daan Bronkhorst
    “Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025313562
  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  4. Hans Achterhuis
    “De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9026315244
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be