meegeven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meegeven
gaf mee
meegegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

meegeven

  1. overgankelijk iemand iets geven voor als die vertrokken is.
    • Hij gaf zijn kinderen een knapzak met eten mee voor tijdens het schoolreisje. 
  2. overgankelijk iemand met een idee of zienswijze kennis laten maken.
    • Wat ik jullie vandaag vooral wil meegeven is een goede manier om met geweld op straat om te gaan. 

meegeven inergatief

  1. inergatief inveren als er iets tegenaan komt.
    • Het aantal gymblessures zal waarschijnlijk afnemen nu we de muren van de gymzaal hebben laten bekleden en die meegeven. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.