magiër

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

aanbidding door de drie magiërs
Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·gi·er
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van magie met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord magiër magiërs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

magiër m[1]

  1. oosterse wijze, uitlegger van de astrologie en dromen, priester bij de Meden en de Perzen
    • De drie magiërs uit het oosten brachten geschenken aan Jezus Christus  
  2. tovenaar
    • De goochelaar noemde zichzelf een magiër 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen