maagdelijkheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maag·de·lijk·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord maagdelijkheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

maagdelijkheid v

  1. (seksualiteit) eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
    • Ze bezat haar maagdelijkheid nog. 
     In Amerika halen jongeren tegenwoordig later hun rijbewijs, drinken ze minder en verliezen later hun maagdelijkheid, omdat ze dag in dag uit alleen op hun kamer aan hun telefoon gekluisterd zitten.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 22 februari 2021 Weblink bron Rosanne Hertzberger “Mijn kind weet niet wat e-mail is” (3 november 2018) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be