Naar inhoud springen

scheel

Uit WikiWoordenboek
Bij iemand die scheel is, lijken beide ogen niet op hetzelfde punt gericht.
  • scheel
  • In de betekenis van ‘loens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
  • [2] [3] [4] [5] [6]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen scheelschelerscheelst
verbogen scheleschelerescheelste
partitief scheelsschelers-

scheel [7]

  1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
    • De man moet een bril dragen doordat hij schele ogen heeft. 
enkelvoud meervoud
naamwoord scheel schelen
verkleinwoord scheeltje scheeltjes

hetscheelo

  1. deksel [8]
  2. verschil [9]
  3. scheiding [10]
  4. schedel [11]
vervoeging van
schelen

scheel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen
    • Ik scheel. 
  2. gebiedende wijs van schelen
    • Scheel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen
    • Scheel je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[12]