loopvogel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loop·vo·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord loopvogel loopvogels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

loopvogel m

  1. (vogels) vogel met krachtige poten om te lopen maar vleugels die ongeschikt zijn om te vliegen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie