loochenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loo·che·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
loochenen
/'lo.xənə(n)/
loochende
/'lo.xəndə/
geloochend
/ɣə'lo.xənt/
zwak -d volledig

Werkwoord

loochenen

  1. overgankelijk, (formeel) iets tot een leugen verklaren
    • Hij loochende dat hij iets met de zaak te maken had. 
    • Van Aristoteles (384—322), den universeelen en tevens nuchteren man der wetenschap, werd, [...] verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende.[1] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De magie bij de Grieken en Romeinen, Dr. K.H.E. DE JONG, Haarlem, de erven F. Bohn 1921