lenig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van lei ?? met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lenig leniger lenigst
verbogen lenige lenigere lenigste

Bijvoeglijk naamwoord

lenig

  1. met soepele ledematen
    De lenige jongen klom over het hekwerk of het niets was.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

lenig

  1. met soepele ledematen
    Hij klom lenig over het hekje.

Werkwoord

vervoeging van
lenigen

lenig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lenigen
    Ik lenig.
  2. gebiedende wijs van lenigen
    Lenig!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lenigen
    Lenig je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl