legkast

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

legkast
Uitspraak
Woordafbreking
  • leg·kast
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord legkast legkasten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

legkast v/m [1]

  1. (meubel) waarin met op legplanken goederen kan bewaren
    • De gepensioneerde wiskundigen en informatici van de TU Eindhoven hebben het getroffen. Een half-inpandig zaaltje – ongeschikt voor regulier personeel – is door de faculteit ingericht voor emeriti en andere gepensioneerden. Er zijn vijf blokken van vier bureaus; bij elk bureau hoort een pc, een ladenkast en een `legkast', per blok is er een telefoon. [2] 
    • Het meubilair in het Vitra-kantoor bestaat uit oude en nieuwe ontwerpen uit de eigen collectie die flexibel aan elkaar zijn geschakeld. Een lage legkast met kussens doet tevens dienst als zitbank.[3]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 21 mei 2005
  3. Volkskrant Jeroen Junte 12 juni 2007