koolzaad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] koolzaad
Uitspraak
Woordafbreking
  • kool·zaad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koolzaad koolzaden
verkleinwoord koolzaadje koolzaadjes

Zelfstandig naamwoord

koolzaad o [2]

  1. het zaad van een koolplant waaruit men olie kan winnen
    • Dat geldt voor meer dingen in het boek: hoe mooi het ook is, het gaat er een beetje aan voorbij dat de meeste mensen overdag nog wat anders te doen hebben dan struukduken. Bosaardbeitjes zijn best bijzonder: laat staan dat je er een pond van vindt! Ook nogal vergezocht is het 'maak je eigen koolzaadolie'. Ten eerste heb je er een duur molentje voor nodig, maar belangrijker: wie wildplukt er nu kilo's zaad? Nee, laat die koolzaadjes maar voor de vogeltjes en koop je olie in de winkel. [3] 
  2. (plantkunde) plant met gele bloemen die de bron is voor koolzaad
    • Er is verwarring over het vóórkomen van het oliegewas koolzaad in de Nederlandse natuur. Dat blijkt uit inventarisaties die biologen vorig jaar uitvoerden in opdracht van de Commissie Genetische Modificatie. In verband met het eventuele toestaan van de teelt van genetisch gemodificeerd koolzaad in Nederland, wil de commissie weten in hoeverre niet-gemodificeerd koolzaad (Brassica napus, met felgele bloemen) zich totnogtoe naar bermen verspreid heeft, vanaf akkers en bij transport.[4] 
Verwante begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. koolzaad op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Tallina van den Hoed 17 juni 2014 Volkskrant
  4. NRC 9 april 2009