kluis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een kluis.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kluis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kluis kluizen
verkleinwoord kluisje kluisjes

Zelfstandig naamwoord

kluis v/m

  1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
    Sieraden bewaart men vaak in een kluis.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.


Werkwoord

vervoeging van
kluizen

kluis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kluizen
    Ik kluis.
  2. gebiedende wijs van kluizen
    Kluis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kluizen
    Kluis je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl