klomp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1] Klompen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klomp
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kluit, klont’ voor het eerst aangetroffen in 1377 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord klomp klompen
verkleinwoord klompje klompjes

Zelfstandig naamwoord

klomp m

  1. (schoeisel) schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
    • In het buitenland is het beeld van een Nederlander op klompen nog niet helemaal verdwenen. 
  2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
    • Hij deed er een klompje boter op. 
  3. (hockey), (schoeisel) van hard materiaal vervaardigd, beschermend schoeisel gedragen door doelverdedigers
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Het op zijn/haar klompen (kunnen) aanvoelen.
Van te voren weet van (kunnen) hebben, een voorgevoel (kunnen) krijgen.
  • Nu breekt mijn klomp.
Ik ben stomverbaasd, sta nu verstomd te kijken.
  • Zijn klompen wegbrengen.
Naar huis gaan.
  • Zijn klompen wegzetten.
(eufemisme) Sterven.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen