klerelijer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kle·re·lij·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klerelijer klerelijers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

klerelijer m

  1. (pejoratief) vervelend, hinderlijk persoon waar je een hekel aan hebt
    • Die klerelijers van de politie hebben mij alweer een boete gegeven. 
Synoniemen
  1. klootzak, rotvent, kloothommel, schoft, smeerlap, lul

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Verwijzingen