kitten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kit·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘aaneenlijmen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1870 [1]
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘jonge kat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1984 [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kitten kittens
verkleinwoord kittentje kittentjes

Zelfstandig naamwoord

kitten m

  1. pas geboren kat

Zelfstandig naamwoord

kitten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kit
Verwante begrippen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kitten
kitte
gekit
zwak -t volledig

Werkwoord

kitten

  1. overgankelijk met een kitmiddel aaneenlijmen of dichten

Werkwoord

vervoeging van
kitten

kitten

  1. meervoud verleden tijd van kitten
    • Wij kitten. 
    • Jullie kitten. 
    • Zij kitten. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
kitten kittens

Zelfstandig naamwoord

kitten

  1. jonge kat.
  2. lamprei, jong konijn.