zuinig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zui·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘spaarzaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612 [1] [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zuinig zuiniger zuinigst
verbogen zuinige zuinigere zuinigste
partitief zuinigs zuinigers -

Bijvoeglijk naamwoord

zuinig

  1. voorzichtig met het uitgeven van geld
    • Zuinig autorijden is niet alleen goed voor je portemonnee. 
     Voor England was het een sport om zo zuinig mogelijk te leven.[3]
     Mijn vrouw had vroeger een abonnement op de Vrekkenkrant (een tijdschrift dat een eenvoudige en zuinige levenswijze wilde promoten.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen