karet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] Een kam gemaakt van schildpad.
[3] Karet licht karretje
Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·ret
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Maleis [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord karet karetten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

karet o [2]

  1. rubber, elastiek
    • Maar in het begin wist je niet dat karet géén Nederlands woord was en senter ook niet (elastiek en zaklantaarn). „Dat zeggen we hier niet, Hans.” Nog voel ik de verontwaardiging toen de juf me corrigeerde. [3] 
  2. schildpad (zowel het dier als stof waarmee siervoorwerpen zijn bekleed of van zijn gemaakt)
    • Het gaat om twee vogelsoorten, de socotra-aalscholver en de kroeskop-pelikaan, twee soorten zeeschildpadden, de karet- en de soepschildpad, en ten slotte de dugong, een drie meter grote zeekoe, waarvan het verspreidingsgebied zich uitstrekt van de Oostafrikaanse kust tot aan de Filippijnen. [4] 
  3. licht karretje

Gangbaarheid

24 % van de Nederlanders;
17 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. karet op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Hans Moll 13 januari 2010
  4. NRC F. G. de Ruiter 8 februari 1991