kankerpit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kan·ker·pit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kankerpit kankerpitten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kankerpit m

  1. iemand die altijd ontevreden is
    • Ferron is geen schrijver met een breed register. Steeds wordt uit hetzelfde tragikomische vaatje getapt, nu eens tegen een Duits of Oostenrijks decor, dan weer is de eigen woonplaats Haarlem de plaats van handeling. Onveranderlijk krijgt de lezer een royale emmer kolderieke rampspoed over zich uitgestort. Groteske miezerigheid, passend bij rancuneuze kankerpitten met een klein hartje, is zijn specialiteit, en in de evocatie daarvan heeft hij een onmiskenbaar meesterschap bereikt ook al wordt er vaak zonder veel gene geleend bij grotere collega's als Louis-Ferdinand Celine of Thomas Bernhard. [1] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. NRC Arnold Heumakers 11 december 1998