kankeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
kankeren kankerend
gekanker gekankerd


Woordafbreking
  • kan·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zich morrend beklagen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1904 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kankeren
kankerde
gekankerd
zwak -d volledig

Werkwoord

kankeren

  1. inergatief ~ op uit protest schelden
    • Op die maatregel is nog jaren flink gekankerd. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • op iets kankeren
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen