jurisprudentie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·ris·pru·den·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toegepaste rechtspraak’ voor het eerst aangetroffen in 1658 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord jurisprudentie -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jurisprudentie v [3]

  1. (juridisch) het geheel van uitspraken van rechters
    • Die dag lichtte hoofdofficier Marianne Bloos in NRC het besluit toe. „Er bestaat zoiets als vrije wil”, zei Bloos. „Niemand dwingt mensen om te roken en ze stoppen er ook vaak genoeg mee. Je kunt tabaksfabrikanten niet verantwoordelijk houden voor hun gedrag. (…) Met de huidige wet en jurisprudentie kun je niet zeggen: de roker handelt helemaal niet zelf.”[4] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen