jakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jakken
jakte
gejakt
zwak -t volledig

Werkwoord

jakken

  1. snel rijden of lopen, jakkeren
  2. ravotten
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

jakken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jak
Verwante begrippen

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be