jakten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jak·ten

Werkwoord

vervoeging van
jakken

jakten

  1. meervoud verleden tijd van jakken
    • Wij jakten. 
    • Jullie jakten. 
    • Zij jakten. 


Noors

Woordafbreking
  • jak·ten
Naar frequentie 5835

Zelfstandig naamwoord

jakten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van jakt
Synoniemen