item

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • item
enkelvoud meervoud
naamwoord item items
verkleinwoord itempje itempjes

Zelfstandig naamwoord

item o

  1. onderwerp dat aan bod komt
    • Het journaal had vandaag een leuk item. 
    • Tijdens de vergadering was de recente wateroverlast een van de belangrijkste items. 
  2. specifiek voorwerp
    • De ontwerpen worden in Portugal en Italië gemaakt onder goede arbeidsomstandigheden en van de hoogste certificering organisch katoen. Ieder item heeft een QR-code die de klant informatie geeft over de fabriek, kostprijs en marges. Warmerdam: ,,Doordat we online en direct aan de klant verkopen is er geen tussenkomst van winkeliers, agenten en distributeurs. Dat scheelt aanzienlijk in de prijs.”[1] 
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.


Engels

Uitspraak
  • IPA: /'aɪ̯təm/
enkelvoud meervoud
item items

Zelfstandig naamwoord

item

  1. voorwerp
  2. agendapunt
    1. de Telegraaf JESSICA NUMANN 23 mrt. 2018 De mode-industrie uitkleden