intro

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·tro
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord intro intro's
verkleinwoord introotje introotjes

Zelfstandig naamwoord

intro m / o

  1. (muziek) inleidend stukje muziek,
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Latijn

Bijwoord

  1. (naar) binnen

Werkwoord

vervoeging van
intrāre

intrō

  1. actief indicatief praesens, eerste persoon enkelvoud van intrāre