binnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     binnen  
 persoonlijk     erbinnen  
aanwijz.   nabij     hierbinnen  
  veraf     daarbinnen  
  vragend/betrekk.     waarbinnen  


Woordafbreking
  • bin·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: binnen
Oudnederlands: binnan
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: binnen, Fries: binnen (Oudfries: binna)
Oost: Gotisch: innana

Bijwoord

binnen

  1. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord hierbinnen
    Hier liggen maar twee straten binnen.
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord binnenkomen
    Hij kwam de kamer binnen.
  3. te binnen schieten: herinneren
    Het schoot me nog net op tijd te binnen dat ik nog een afspraak had.
  4. van binnen: aan de binnenkant, in jezelf
    De dikke, ruwe man was van binnen eigenlijk een heel lieve man.
    Het prachtige huis was van binnen een ruïne.
Antoniemen

Voorzetsel

binnen

  1. in een bepaald bestek of ruimte
    Deze straat ligt binnen de grachtengordel.
  2. in een bepaalde tijd
    wij verwachten binnen een week uitsluitsel over deze kwestie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Binnen zijn
zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken
  • De aap binnen hebben
het geld ontvangen hebben
  • Het paard van Troje binnen halen
Ongemerkt de vijand binnen halen
  • Voor de bui binnen zijn
voordat het slecht werd genoeg verdiend hebben
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie