intransitief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·tran·si·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onovergankelijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1669 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen intransitief intransitiever intransitiefst
verbogen intransitieve intransitievere intransitiefste
partitief intransitiefs intransitievers -

Bijvoeglijk naamwoord

intransitief

  1. (taalkunde) onovergankelijk
    • Het werkwoord 'zieken' is intransitief. 
enkelvoud meervoud
naamwoord intransitief intransitieven
verkleinwoord intransitiefje intransitiefjes

Zelfstandig naamwoord

intransitief o

  1. een onovergankelijk werkwoord
    • Het werkwoord 'zieken' is een intransitief. 
Vertalingen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders
69 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen