insolvent

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·sol·vent
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van solvent met het ontkennend voorvoegsel in-, in de betekenis van ‘niet in staat te betalen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1582 [1][2][3]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen insolvent insolventer insolventst
verbogen insolvente insolventere insolventste
partitief insolvents insolventers -

Bijvoeglijk naamwoord

insolvent

  1. niet in staat om aan de betalingsverplichtingen te voldoen
    • Voor ieder land is het van belang dat de economie en de begroting duurzaam gezond zijn. Als dat niet zo is, heeft dat zijn weerslag op de omringende landen. Als er geen monetaire unie is, gaat dat effect vooral via de wisselkoers en lopen beleggers het risico dat hun beleggingen in waarde dalen. In een monetaire unie bestaat onder andere, zoals nu, het risico dat een land insolvent kan worden (niet in staat om aan de betalingsverplichtingen te voldoen). [4] 
    • De in surseance verkerende voormalige Trabantbouwer Sachsenring wil met behulp van investeerders een doorstart maken. Het bedrijf, dat tegenwoordig auto-onderdelen maakt, werd donderdagavond door een rechtbank in het Oost-Duitse Zwickau insolvent verklaart. [5] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen