insolventie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·sol·ven·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans
enkelvoud meervoud
naamwoord insolventie
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

insolventie v [1]

  1. het onvermogen om aan financiële verplichtingen te voldoen
    • De partner van Heijmans in dit project, het Duitse Europoles, is in financiële problemen geraakt, zo meldde de aannemer gisteren. „Wij denken dat het annuleren van dit project is een gebeurtenis geweest, die heeft geleid tot insolventie van Europoles”, zegt analist Philip Nghoto van ABN Amro. [2] 
    • De Argentijnse president Nestor Kirchner sprak van een „maximale deelname” van investeerders, waardoor het Zuid-Amerikaanse land zijn insolventie, het onvermogen om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen, heeft overwonnen. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen