Naar inhoud springen

innemen

Uit WikiWoordenboek
  • in·ne·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
innemen
nam in
ingenomen
klasse 4 volledig

innemen

  1. overgankelijk binnengaan en in bezit nemen
     Zo zal zij de plaats in de society innemen die ik voor haar wens en krijgen jullie dat liefdadigheidsziekenhuis.[1]
    • De stad werd na een fel gevecht ingenomen. 
  2. overgankelijk fig.: iemand voor zich winnen
    • Hij werd volledig ingenomen door de ondeugende glimlach van zijn kleine dochtertje. 
  3. overgankelijk uit circulatie halen
    • Het oude paspoort wordt ingenomen wanneer het nieuwe verstrekt wordt. 
  4. overgankelijk kleding vernauwen
    • Nu je aardig afgevallen bent kunt je beter je dure pak laten innemen. 
  5. overgankelijk gebruiken: een medicijn innemen
     'Twee tegelijk innemen en met een groot glas water wegspoelen, is ze zo weer op de been.[2]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. “Echo's aan het meer” (2026), Kokboekencentrum, ISBN 9789029740210
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be