inkoper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1:00 inkopers
Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ko·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inkoper inkopers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inkoper m [1]

  1. (beroep) iemand die voor zijn beroep goederen koopt bijvoorbeeld voor een winkel of restaurant
    • SHV, het grootste familiebedrijf van Nederland, sluit binnenkort een bedrijf in Dubai. De reden: het dochterbedrijf betaalde jarenlang ongehinderd en systematisch inkopers van klanten in ruil voor opdrachten. De top van SHV wist hiervan en deed jarenlang niets. [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Esther Rosenberg Carola Houtekamer 24 februari 2017