passeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passeren
passeerde
gepasseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

passeren

  1. overgankelijk voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
    • Hij passeerde een aantal auto's en ging weer naar de rechterbaan. 
  2. overgankelijk, (kookkunst) door een zeef laten gaan
    • De saus wordt daarna nog even gepasseerd. 
  3. (juridisch) bekrachtigen van een akte door een notaris
    • Vandaag is de statutenwijziging de notaris gepasseerd. 
  4. overslaan bij een benoeming
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen