passeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorbijgaan’ voor het eerst aangetroffen in 1294 [1]
  • Afkomstig van het Franse passer (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passeren
passeerde
gepasseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

passeren

  1. overgankelijk voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
    • Hij passeerde een aantal auto's en ging weer naar de rechterbaan. 
     `Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.[3]
  2. overgankelijk, (kookkunst) door een zeef laten gaan
    • De saus wordt daarna nog even gepasseerd. 
  3. (juridisch) bekrachtigen van een akte door een notaris
    • Vandaag is de statutenwijziging de notaris gepasseerd. 
  4. overslaan bij een benoeming
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen