passeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passeren
passeerde
gepasseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

passeren

  1. (overgankelijk) voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
    Hij passeerde een aantal auto's en ging weer naar de rechterbaan.
  2. (overgankelijk), (kookkunst) door een zeef laten gaan
    De saus wordt daarna nog even gepasseerd.
  3. (juridisch) bekrachtigen van een akte door een notaris
    Vandaag is de statutenwijziging de notaris gepasseerd.
  4. overslaan bij een benoeming
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl