Naar inhoud springen

ingen

Uit WikiWoordenboek
  • in·gen
  • Afkomstig van de Oudnoorse woorden engi en enginn.
Naar frequentie 72
  enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig
voornaamwoord   ingen     inga     intet     ingen  

ingen

  1. geen, geen enkel
    «Det har jeg ingen mening om.»
    Er heb ik geen mening over.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   ingen                    

ingen

  1. niemand
    «Ingen likte maten.»
    Niemand vond het eten goed.


  • in·gen
  • Afkomstig van de Oudnoorse woorden engi en enginn.
  enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig
voornaamwoord   ingen     inga     inkje     ingen  

ingen

  1. geen, geen enkel
    «Det har jeg ingen mening om.»
    Er heb ik geen mening over.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   ingen                    

ingen

  1. niemand
    «I eit halvt års tid brukte han nesten all fritida si på å skrive ein roman.»
    In een half jaar had hij bijna al zijn vrije tijd nodig om een roman te schrijven.