geboren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bo·ren
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen geboren
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

geboren

  1. ter wereld gebracht, gebaard (gezegd over mensen of dieren)
    • Ik ben in Brussel geboren. 
  2. begonnen, ontstaan (overdrachtelijk)
    • Deze oplossing is uit nood geboren. 
  3. door herkomst of natuurlijke aanleg (een bepaalde eigenschap bezitten)
    • Mevrouw De Vries, geboren Jansen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje.
Wanneer je uit een arm gezin komt, zul je nooit rijk worden.
  • Hij is in ~ geboren en getogen.
Hij is in ~ ter wereld gekomen en opgegroeid. (~ staat voor een plaatsnaam)
  • Dichters worden niet gemaakt, maar geboren.
Je wordt dichter door eigen aanleg, niet doordat anderen je het leren.
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie