implantaat
Uiterlijk

- Geluid: implantaat (hulp, bestand)
- im·plan·taat
- Naamwoord van handeling van implanteren met het achtervoegsel -aat
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | implantaat | implantaten |
| verkleinwoord | implantaatje | implantaatjes |
het implantaat o
- (medisch) een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
- Een pacemaker is een implantaat.
- Het woord implantaat staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "implantaat" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be