Implantat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Im·plan·tat
enkelvoud meervoud
nominatief das Implantat die Implantate
genitief des Implantats
Implantates
der Implantate
datief dem Implantat den Implantaten
accusatief das Implantat die Implantate

Zelfstandig naamwoord

Implantat, o

  1. (medisch), (tandheelkunde) implantaat
Afgeleide begrippen