hurk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hurk
enkelvoud meervoud
naamwoord hurk hurken
verkleinwoord hurkje hurkjes

Zelfstandig naamwoord

hurk v/m

  1. een houding waarbij men met gebogen knieën op de onderbenen rust
    • Soms is het lastig weer uit een hurk overeind te komen. 
  2. (verouderd) een kind zo klein als iemand die op zijn hurken rust
    • Hij was nog maar een hurkje. 
  3. (pejoratief) onaangenaam, grof persoon
    • Wat een hurk van een vent is dat, zeg... 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op zijn hurken zitten.
Een gehurkte houding aannemen.

Werkwoord

vervoeging van
hurken

hurk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hurken
    • Ik hurk. 
  2. gebiedende wijs van hurken
    • Hurk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hurken
    • Hurk je?