hork

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hork
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hork horken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hork m

  1. iemand die zich onaangenaam gedraagt door zich niet aan omgangsvormen te houden
     Van hem heb ik geleerd los te laten als dat nodig is. Toen ik begon met leidinggeven was ik echt een hork van een manager. Een onwijze controlfreak. Alles wat de deur uitging, wilde ik zien. En dan ontdekte ik natuurlijk altijd fouten.[4]
Synoniemen
  • hurk (uitspraakvariant)
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen