Naar inhoud springen

huppen

Uit WikiWoordenboek
  • hup·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huppen
hupte
gehupt
zwak -t volledig

huppen

  1. ergatief met beide benen of achterpoten tegelijk opspringend zich gericht verplaatsen
    • De kangoeroe hupte door het bos. 
  2. inergatief met beide benen of achterpoten tegelijk opspringend zich verplaatsen
    • Er werd vrolijk wat gehupt door de jonge kangoeroemuizen. 

dehuppenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hup
93 %van de Nederlanders;
73 %van de Vlamingen.[2]