hunkering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hun·ke·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hunkering hunkeringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hunkering v [1]

  1. het heftige, pijnlijke verlangen naar iets of iemand
    • De inbreker realiseerde zich echter niet dat de eigenaren boven de winkel wonen. Lisa Mirrizi had een late hunkering naar thee en besloot dan ook naar beneden te gaan.[2] 
    • Lachgasgebruik kan leiden tot hoofdpijn, duizeligheid en tintelingen van handen en voeten. Maar ook noemen gebruikers verwardheid, misselijkheid en de hunkering om opnieuw te gebruiken.[3] 
    • „Elke ijsclubbestuurslid zal me dat nazeggen. De hunkering naar ijs houdt ons in leven. IJs is voor ons een zaak van leven en dood.”[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 19 feb. 2018
  3. de Telegraaf 18 dec. 2017
  4. Tubantia 26-FEBRUARI-2018
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be