zucht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zucht
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘sterke uitademing’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
  • In de betekenis van ‘ziekte, ziekelijke neiging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zucht zuchten
verkleinwoord zuchtje zuchtjes

Zelfstandig naamwoord

zucht v / m [2]

  1. (medisch) ziekelijke of overmatige zwelling door opeenhoping van vocht in het menselijk of dierlijk lichaam, waterzucht
  2. ziekelijke onbedwingbare drang, verslaving, begeerte
  3. eerste afscheiding van melk in de borsten van een zwangere vrouw
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de zucht naar geld
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord zucht zuchten
verkleinwoord zuchtje zuchtjes

Zelfstandig naamwoord

zucht v / m [3]

  1. hoorbare uitademing, meestal als uiting van ongenoegen of verveling
    • hij slaakte een diepe zucht 
  2. tocht, luchtstroom
    • het is benauwd en er is zelfs geen zuchtje wind 
     De achterkamer werd gedomineerd door een monsterlijk, ondateerbaar hemelbed met vier vergulde zuilen in Egyptische stijl waarop een baldakijn rustte van donkerrood fluweel, met geborduurde sterren van gouddraad. Wie zou in staat zijn te bevroeden hoeveel zuchten en gefluisterde geheimen er onder die sterrenstof waren blijven hangen?[4]
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zuchten

zucht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zuchten
  2. gebiedende wijs van zuchten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen