zucht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zucht
enkelvoud meervoud
naamwoord zucht zuchten
verkleinwoord zuchtje zuchtjes

Zelfstandig naamwoord

zucht v / m [1]

  1. (medisch) ziekelijke of overmatige zwelling door opeenhoping van vocht in het menselijk of dierlijk lichaam, waterzucht
  2. ziekelijke onbedwingbare drang, verslaving, begeerte
  3. eerste afscheiding van melk in de borsten van een zwangere vrouw
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de zucht naar geld
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord zucht zuchten
verkleinwoord zuchtje zuchtjes

Zelfstandig naamwoord

zucht v / m [2]

  1. hoorbare uitademing, meestal als uiting van ongenoegen of verveling
    • hij slaakte een diepe zucht 
  2. tocht, luchtstroom
    • het is benauwd en er is zelfs geen zuchtje wind 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zuchten

zucht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zuchten
  2. gebiedende wijs van zuchten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal