huiselijkheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hui·se·lijk·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huiselijkheid huiselijkheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

huiselijkheid v

  1. dat iets zo gezellig is als thuis
    • De zorginstelling probeerde de gewone huiselijkheid van het oude tehuis zoveel mogelijk te bewaren. 
Synoniemen
  1. gezelligheid, knusheid
Vertalingen

Gangbaarheid