huik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: huif


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huik
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mantel’ voor het eerst aangetroffen in 1317 [1]
  • Ontleend aan het Arabische حائك ḥā'ik (en niet aan het Oudfranse huque (cape met capuchon) dat evanals het middeleeuws Latijn huca recenter is)[2].
enkelvoud meervoud
naamwoord huik huiken
verkleinwoord huikje huikjes

Zelfstandig naamwoord

huik v/m

  1. (verouderd) een vrouwensluier met kap Arch. (1811) [3]
    • De huik naar alle winden hangen. 
    Zich schikken naar de omstandigheden van het moment
  2. een regenvast dekkleed dat over een zeil gedaan wordt
    • We vertrouwen het niet met het weer, dus doen we de huik over de zeilen. 
  3. (verouderd) hurk

Werkwoord

vervoeging van
huiken

huik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiken
    • Ik huik. 
  2. gebiedende wijs van huiken
    • Huik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiken
    • Huik je? 

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen