huik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: huif

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huik
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Arabische حائك ḥā'ik (en niet aan het Oudfranse huque (cape met capuchon) dat evanals het middeleeuws Latijn huca recenter is)[1].
enkelvoud meervoud
naamwoord huik huiken
verkleinwoord huikje huikjes

Zelfstandig naamwoord

huik v/m

  1. (verouderd) een vrouwensluier met kap Arch. (1811) [2]
    • De huik naar alle winden hangen. 
    Zich schikken naar de omstandigheden van het moment
  2. een regenvast dekkleed dat over een zeil gedaan wordt
    • We vertrouwen het niet met het weer, dus doen we de huik over de zeilen. 
  3. (verouderd) hurk

Werkwoord

vervoeging van
huiken

huik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiken
    • Ik huik. 
  2. gebiedende wijs van huiken
    • Huik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiken
    • Huik je? 

Verwijzingen

  1. Klein Arabisch Prentenboek. L. Catherine, 2010.
  2. Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811

Meer informatie