hoofddoek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

vrouw met hoofddoekje
Uitspraak
Woordafbreking
  • hoofd·doek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoofddoek hoofddoeken
verkleinwoord hoofddoekje hoofddoekjes

Zelfstandig naamwoord

hoofddoek m

  1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
    • In islamitische kringen wordt het dragen van hoofddoekjes veelal als religieuze plicht gezien. 
    • Vanachter halfgesloten ogen zag ik een vrouw met een Schots geruite rok en een hoofddoek met gespreide armen op me afrennen. Ik besloot me niet te verzetten. Willoos liet ik me heen en weer schudden. [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 153