fichu

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Een dame met een witte fichu.
Uitspraak
Woordafbreking
  • fi·chu
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fichu fichu's
verkleinwoord fichuutje fichuutjes

Zelfstandig naamwoord

fichu m

  1. (kleding) driehoekig gevouwen doek zoals vrouwen die in de 18e en 19e eeuw om de hals droegen
    • Toen David zich omkeerde naar de veranda, de houten zuilengaanderij, had hij gezien dat ook Madame veranderd was. Het verveelde en kwijnende was van haar gevallen; haar ogen schitterden, mond en wangen leken warmer rood - kwam dat van de kus? - en zij hield de handen tegen haar borst, half in de ijle fichu, waaronder het bewogen deinde. [3]
Hyperoniemen

Gangbaarheid

11 % van de Nederlanders;
12 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  fichu     le fichu     fichus     les fichus  

Zelfstandig naamwoord

fichu m

  1. halsdoek

Bijvoeglijk naamwoord

fichu

  1. (spreektaal) kapot, naar de knoppen
    «La télé est fichue
    De televisie is naar de knoppen. [1]
Synoniemen

Verwijzingen