hekeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Hekeling van de menselijke dwaasheden
Uitspraak
Woordafbreking
  • he·ke·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hekeling hekelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hekeling v [1]

  1. het spottende verwijt dat men iemand maakt
    • Al schrijvende bracht Erasmus iets anders voort dan een hekeling van misstanden, of liever gezegd, iets meer, want een hekeling van misstanden kan men er ook in lezen. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Verwijzingen